Breng mij die horizon! Filosofische reisverhalen

Breng mij die horizon! Filosofische reisverhalen

Jos de Mul. Breng me die horizon! Filosofische reisverhalen. Amsterdam: Boom, 2019.  Breng mij die horizon! laat zien wat er gebeurt…

More...
De domesticatie van het noodlot. De wedergeboorte van de tragedie uit de geest van de technologie

De domesticatie van het noodlot. De wedergeboorte van de tragedie uit de geest van de technologie

Jos de Mul. De domesticatie van het noodlot. De wedergeboorte van de tragedie uit de geest van de technologie. Rotterdam: Lemniscaat,…

More...
Destiny Domesticated. The Rebirth of Tragedy Out of the Spirit of Technology

Destiny Domesticated. The Rebirth of Tragedy Out of the Spirit of Technology

Jos de Mul. Destiny Domesticated. The Rebirth of Tragedy Out of the Spirit of Technology. State University of New York (SUNY)…

More...
命运的驯化——悲剧重生于技术精神 内容简介 (Chinese translation of Destiny Domesticated\)

命运的驯化——悲剧重生于技术精神 内容简介 (Chinese translation of Destiny Domesticated\)

Jos de Mul. 命运的驯化——悲剧重生于技术精神 内容简介 (Chinese translation of Destiny Domesticated. The Rebirth of Tragedy Out of the Spirit of Technology). Guilin:…

More...
Romantic Desire in (Post)Modern Art and Philosophy

Romantic Desire in (Post)Modern Art and Philosophy

Jos de Mul. Romantic Desire in (Post)Modern Art and Philosophy. Albany: State University of New York Press, 1999, 316 p.…

More...
Het romantische verlangen in (post)moderne kunst en filosofie

Het romantische verlangen in (post)moderne kunst en filosofie

Jos de Mul. Het romantische verlangen in (post)moderne kunst en filosofie. Uitgeverij Klement, 2007 (4de druk), 284 p. 1de druk, 1990; 2de druk, 1991; 3de…

More...
后)现代艺术与哲学中的浪漫之欲。Chinese translation of Romantic Desire in (Post)Modern Art and Philosophy

后)现代艺术与哲学中的浪漫之欲。Chinese translation of Romantic Desire in (Post)Modern Art and Philosophy

Jos de Mul. 后)现代艺术与哲学中的浪漫之欲。Chinese translation of Romantic Desire in (Post)Modern Art and Philosophy. Wuhan: Wuhan University Press, 2010, 306p. ISBN 978-7-307-08019-5RMB…

More...
Cyberspace Odyssee

Cyberspace Odyssee

Jos de Mul. Cyberspace Odyssee. Kampen: Klement, 6de druk: 2010, 352 p. 1de druk, 2002; 2de druk, 2003; 3de druk,2004;…

More...
Cyberspace Odyssey. Towards a Virtual Ontology and Anthropology

Cyberspace Odyssey. Towards a Virtual Ontology and Anthropology

Jos de Mul. Cyberspace Odyssey. Towards a Virtual Ontology and Anthropology. Castle upon Tyne: Cambridge Scholars Publishing, 2010, 334 p. Translation of Cyberspace…

More...
Siberuzayda macera dolu bir yolculuk. Sanal bir ontoloji ve antropolojiye doğru

Siberuzayda macera dolu bir yolculuk. Sanal bir ontoloji ve antropolojiye doğru

Jos de Mul. Siberuzayda macera dolu bir yolculuk. Sanal bir ontoloji ve antropolojiye doğru. Istanbul: Kitap Yayinevi, 2008, 400 p. Turkish…

More...
The sovereign debt crisis or Sophie’s choice. On European tragedies, guilt and responsibility

The sovereign debt crisis or Sophie’s choice. On European tragedies, guilt and responsibility

Liesbeth Noordegraaf-Eelens and Jos de Mul, The sovereign debt crisis or Sophie’s choice. On European tragedies, guilt and responsibility. Heinrich…

More...
Paniek in de Polder. Polytiek in tijden van populisme

Paniek in de Polder. Polytiek in tijden van populisme

Jos de Mul. Paniek in de Polder. Polytiek in tijden van populisme. Rotterdam: Lemniscaat, februari 2017. Uitgebreide en geactualiseerde editie…

More...
Horizons of Hermeneutics

Horizons of Hermeneutics

Jos de Mul. Horizons of Hermeneutics: Intercultural Hermeneutics in a Globalizing World.  Frontiers of Philosophy in China. Vol. 6, No.…

More...
The game of life

The game of life

Jos de Mul. The Game of Life: Narrative and Ludic Identity Formation in Computer Games.  In: Lori Way (ed.), Representations of…

More...
PedoBot® is niet boos, maar wel verdrietig (en soms opgewonden)

PedoBot® is niet boos, maar wel verdrietig (en soms opgewonden)

Jos de Mul. PedoBot® is niet boos, maar wel verdrietig (en soms opgewonden). Over intelligente robots, emoties en sociale interactie.…

More...
Kunstmatig van nature. Onderweg naar Homo sapiens 3.0

Kunstmatig van nature. Onderweg naar Homo sapiens 3.0

Jos de Mul, Kunstmatig van nature. Onderweg naar Homo sapiens 3.0.  Rotterdam: Lemiscaat: 2016. ISBN 978 90 477 0925 1…

More...
2017-11-25 (Trouw) Hoe ik bijna boeddhist werd

2017-11-25 (Trouw) Hoe ik bijna boeddhist werd

Jos de Mul. Hoe ik bijna boeddhist werd. Trouw. Bijlage Letter en Geest, 25 november 2017, 14-18. Het gastenverblijf van…

More...
The Tragedy of Finitude. Dilthey's Hermeneutics of Life

The Tragedy of Finitude. Dilthey's Hermeneutics of Life

Jos de Mul. The Tragedy of Finitude. Dilthey's Hermeneutics of Life. New Haven: Yale University Press, 2010 (second edition - eBook), 424…

More...
Wittgenstein 2.0. Philosophical reading and writing after the mediatic turn

Wittgenstein 2.0. Philosophical reading and writing after the mediatic turn

Jos de Mul. Wittgenstein 2.0: Philosophical reading and writing after the mediatic turn. In: A. Pichler & H. Hrachovec (eds.) Wittgenstein and…

More...
Plessner's Philosophical Anthropology. Perspectives and Prospects

Plessner's Philosophical Anthropology. Perspectives and Prospects

Jos de Mul. ( ed.), Plessner's Philosophical Anthropology. Perspectives and Prospects. Amsterdam/Chicago: Amsterdam University Press/Chicago University Press, 2014. Helmut Plessner (1892–1985)…

More...
2016-08-20 (Vrij Nederland) In Japan heeft Erica een ziel

2016-08-20 (Vrij Nederland) In Japan heeft Erica een ziel

Jos de Mul. In Japan heeft Erica een ziel. Vrij Nederland, 20 augustus 2016, 41-45. Kansai Science City doet op…

More...
Outside of a dog, a book is man's best friend. Inside of a dog it's too dark to read.

Outside of a dog, a book is man's best friend. Inside of a dog it's too dark to read.

Marxism according to Groucho     "Outside of a dog, a book is man's best friend. Inside of a dog…

More...
Noble versus Dawkins. DNA Is not the program of the concert of life.

Noble versus Dawkins. DNA Is not the program of the concert of life.

Jos de Mul. Noble versus Dawkins. DNA Is not the program of the concert of life. Translation of Dutch review, published…

More...
The game of life. Narrative and ludic identity formation in computer games

The game of life. Narrative and ludic identity formation in computer games

Jos de Mul. The game of life. Narrative and ludic identity formation in computer games. In: J. Goldstein and J. Raessens,Handbook…

More...
序言 约斯·德·穆尔 In: Zha Changping. World Relational Aesthetics. A History of Ideas in Pioneering Contemporary Chinese Art

序言 约斯·德·穆尔 In: Zha Changping. World Relational Aesthetics. A History of Ideas in Pioneering Contemporary Chinese Art

序言 约斯·德·穆尔. In: Zha Changping. World Relational Aesthetics. A History of Ideas in Pioneering Contemporary Chinese Art. Volume One. Shanghai:…

More...
The Work of Art in the Age of Digital Recombination

The Work of Art in the Age of Digital Recombination

Jos de Mul. The work of art in the age of digital recombination. In J. Raessens, M. Schäfer, M. v. d.…

More...

Doorzoek deze website:

Jos de Mul. Noble vs. Dawkins. DNA is geen program van het concert des levens Vrij Nederland #13, 2 april, 2016, 77-81.

In The Music of Life. Biology Beyond the Genes zet de befaamde Oxford fysioloog en systeembioloog Denis Noble een frontale aanval in op The Selfish Gene van zijn Oxford-collega en oud-student Richard Dawkins, een boek dat 40 jaar na zijn publicatie de gemoederen nog altijd verhit houdt. Jos de Mul, die de deze maand verschenen Nederlandse vertaling van Nobles boek heeft voorzien van een uitgebreide inleiding en nabeschouwing, gaat in op de controverse tussen Noble en Dawkins, die in laatste instantie handelt over de vraag wat het betekent om mens te zijn.

Jos de Mul

Dit jaar is het 40 jaar geleden dat Richard Dawkins boek The Selfish Gene – in het Nederlands verschenen onder de titel Onze zelfzuchtige genen. Over evolutie, agressie en eigenbelang - werd gepubliceerd. Van deze bijbel van het ‘orthodox neodarwinisme’ (Dawkins’eigen woorden in de tweede druk uit 1989) gingen niet minder dan 1 miljoen exemplaren over de toonbank, in meer dan 25 talen. Waarschijnlijk is er sinds Darwins The Origin of Species (1859) geen ander biologieboek gepubliceerd dat zo’n enorme invloed heeft uitgeoefend op zowel het mensbeeld van het grote publiek als op het wetenschappelijk onderzoek, niet alleen in de levenswetenschappen, maar ook in de sociale en de geesteswetenschappen. Het is een bijzonder radicaal boek dat met zijn briljant geformuleerde boodschap -  dat organismen niet veel meer zijn dan tijdelijke voertuigen van onsterfelijke genen - een reductionistisch, deterministisch en in laatste instantie nihilistisch mensbeeld tot uitdrukking brengt.

Gencentrisme

Behalve veel navolging heeft The Selfish Gene ook veel weerstand opgeroepen en vandaag de dag is het boek nog even controversieel als bij zijn verschijning in 1976. Waar zoöloog Matt Ridley in zijn terugblik op het boek in het gezaghebbende tijdschrift Nature (28 januari.j.l.) stelt dat Dawkins gencentrische opvatting van de evolutie in de wereld van de biologie inmiddels algemeen is geaccepteerd en dat de alternatieve verklaringen - voortbrengselen van ‘lazy thinking of the 1960s’ - inmiddels iedere betekenis hebben verloren, daar argumenteert wetenschapshistoricus Nathaniel Comfort in hetzelfde Nature (10 september j.l.) dat Dawkins’ boek vrijwel geheel is achterhaald door de recente ontwikkelingen in de genetica. Wat Comfort vooral stoort is dat de zelfgenoegzame Dawkins de revolutionaire ontwikkelingen die de bijl hebben gezet aan het orthodoxe neodarwinisme, ook in zijn meest recente werk blijft veronachtzamen.

Wat de discussie rondom The Selfish Gene boeiend en belangrijk maakt, is dat het veel meer is dan een controverse over concurrerende biologische theorieën. Dawkins  gencentrisme – de idee dat het in de evolutie uitsluitend draait om de reproductie van zelfzuchtige genen – gaf zijn boek volgens critici ook een bedenkelijk politieke lading. Het zou in de tachtiger jaren niet alleen gediend hebben als een ideologische rechtvaardiging voor het greed is good thatcherisme, maar het zou ook hebben bijgedragen aan het in de biologische wetenschap opnieuw salonfähig maken van het ‘rasrealisme’, dat na de gruwelijke genetische experimenten van de nazi’s gedurende een aantal decennia volstrekt taboe was geweest. Bovendien maakte de The Selfish Gene met zijn nadruk op het blinde karakter van de evolutie felle kritieken los van de zijde van creationisten, wat Dawkins ertoe verleidde in boeken als The God Delusion (2006) een steeds militanter atheïsme te gaan uitdragen. Die strijd met de creationisten heeft er bovendien toe geleid dat Dawkins kritiek van andere biologen op zijn werk al snel percipieerde als een aanval in de rug. Nu misbruiken creationisten dergelijke kritiek inderdaad niet zelden om de evolutietheorie als zodanig verdacht te maken, wat er toe heeft geleid dat evolutiebiologen hun kritiek op Dawkins’ radicale neodarwinisme vaak binnenskamers houden.

Zo niet Denis Noble, die in zijn boek The Music of Life. Biology Beyond the Genes, waarvan de eerste editie in 2006 zowat gelijktijdig verscheen met de 30th anniversary edition van The Selfish Gene, frontaal de aanval inzette op Dawkins. Die vrijmoedigheid houdt waarschijnlijk samen met het feit dat Noble een relatieve buitenstaander is op het gebied van evolutietheorie en genetica. Noble was ten tijde van de publicatie van het boek (emeritus) hoogleraar cardiovasculaire fysiologie aan de Oxford University en had grote faam verworven met computersimulaties van het hart. Daarnaast geldt hij als een van de grondleggers van de systeembiologie. Pikant daarbij was dat het mikpunt van zijn aanval een oud-student en Oxford-collega was.  Dawkins studeerde in de jaren zestig biologie aan het Balliol College waar de vijf jaar oudere Noble, die als promovendus reeds naam gemaakt had met publicaties in Nature, in 1963 tot lecturer was benoemd. Tot aan zijn emeritaat in 2008 was Dawkins Professor for Public Understanding of Science aan diezelfde Oxford University.

Giraffen, muizen en genen

Om de portee van de strijd tussen Noble en Dawkins te begrijpen, dienen we die te plaatsen tegen de achtergrond van de ontwikkeling van de moderne evolutieleer. Waar het denken over de natuur er onder invloed van het christendom nog tot ver in de achttiende eeuw van uitging dat de biologische soorten vanaf de schepping ongewijzigd zijn gebleven, onderging het wereldbeeld in de negentiende een fundamentele historisering. Terwijl de achttiende-eeuwer Linnaeus, aan wie wij de classificatie van biologische soorten hebben te danken die nog altijd wordt gehanteerd, een nog overwegend statische opvatting had van de orde der natuur, ontwikkelde de Franse filosoof Lamarck in zijn Philosophie Zoologique als eerste een consistente evolutietheorie. Uitgangspunt was de gedachte dat alle organismen een levenskracht bezitten die hen aanzet tot steeds complexere organisatie. Daarbij veronderstelde Lamarck dat de organismen zich voortdurend aanpassen aan de wisselende omstandigheden. Organen worden versterkt of verdwijnen naarmate ze intensiever worden gebruikt en de aangeleerde eigenschappen worden overgedragen op de volgende generaties. Zo verklaarde hij de lange nek van de giraffe uit het voortdurend uitstrekken van de nek om bij de hoogste blaadjes te komen. Volgens Lamarck verliep de evolutie door dergelijke leerprocessen snel, schoksgewijs en doelgericht.

Darwin nam dat idee van Lamarck over, maar ontwikkelde in zijn boek The Origins of Species ook een complementaire theorie van de evolutie van het leven: de natuurlijke selectie. Deze theorie, door de filosoof Daniel Dennett het beste idee genoemd dat iemand ooit heeft gehad, stelt dat er in de natuur het aantal nakomelingen altijd groter is dan het aantal dat volwassen wordt en zich reproduceert. Bij de reproductie doen zich altijd kleine verschillen voor en volgens Darwin selecteert de natuur de individuen die het beste zijn aangepast aan de steeds veranderende omstandigheden. Anders dan lamarckiaanse evolutie verloopt de darwiniaanse zeer traag, gradueel en ongericht.

Aan de populariteit van Lamarcks theorie kwam abrupt een eind door even cru als simplistisch experiment van de Duitse bioloog Weismann. Hij hakte gedurende zes generaties de staarten af van een groot aantal muizen om te toetsen of ze deze ‘aangeleerde eigenschap’ zouden doorgeven aan het nageslacht en toen dat niet gebeurde, concludeerde hij dat Lamarcks theorie onjuist was. Volgens hem bewees het dat dat veranderingen in de lichaamscellen geen enkele invloed uitoefenen op de geslachtscellen. Deze zogenaamde Weismannbarrière zou een belangrijke inspiratiebron vormen voor het neodarwinisme.

Dat neodarwinisme was het resultaat van de combinatie van Darwins theorie van de natuurlijke selectie en de erfelijkheidswetten van Mendel. Darwin had weliswaar opgemerkt dat nakomelingen altijd onderlinge verschillen vertonen, maar hij kon niet verklaren hoe dat kwam. Mendel kwam er dankzij experimenten met het kweken van erwten achter dat erfelijke eigenschappen uit discrete eenheden bestaat - in 1909 door de Deense botanicus Johannsen genen gedoopt – en dat de overerving daarvan aan wiskundige wetten gehoorzaamt. Op basis van dat inzicht ontwikkelde zich in de loop van de eerste helft van de twintigste eeuw de populatiegenetica die het darwinisme een wiskundige onderbouwing verschafte.

De als ‘moderne synthese’ aangeduide versmelting van evolutieleer en genetica kreeg in 1953 zijn bekroning in de ontdekking van het dna, een macromolecuul dat zich in iedere celkern bevindt en dat bij de mens uit niet minder dan drie miljard in vier varianten voorkomende bouwstenen bestaat. Ieder gen bestaat uit een specifieke reeksen van die bouwstenen, die – zo dachten de ontdekkers –het recept of het programma vormden voor de erfelijke eigenschappen van het organisme. Bij de reproductie wordt het dna overgedragen op het nageslacht (waarbij in geval van geslachtelijke voortplanting telkens een unieke mix van de eigenschappen van de ouders ontstaat). Ook kunnen er door sporadische kopieerfoutjes bij de reproductie van het genetisch materiaal nieuwe eigenschappen ontstaan. Deze mutaties spelen volgens de neodarwinisten een cruciale rol in de evolutie van het leven op aarde.

Behalve bij de overdracht van de genetische eigenschappen op het nageslacht speelt het dna ook een cruciale rol bij de productie – via een tussenstadium in de vorm van de stof rna -  van de ca. honderdduizend verschillende soorten eiwitten, die – onder meer als bouwstof,  brandstof, enzymen, hormonen en afweerstoffen – onontbeerlijk zijn voor het menselijk leven. Het idee daarbij was dat ieder gen codeert voor één specifiek eiwit en eigenschap. Francis Crick, één van de ontdekkers van het dna, formuleerde op basis daarvan ‘het centrale dogma’ van het neodarwinisme: genetische informatie kan uitsluitend worden overgedragen van dna via rna naar eiwitten, maar nooit andersom. Deze regel werd door veel neodarwinisten onder invloed van Weismann echter uitgelegd als zouden de eigenschappen van organismen uitsluitend via de genen kunnen worden overgeërfd en dat het organisme noch de omgeving veranderingen kunnen aanbrengen in het genoom.

Deze interpretatie van Cricks centrale dogma maakte de weg vrij voor de gencentrische benadering van de evolutie, die dankzij Dawkins’ bestseller The Selfish Gene vervolgens een enorme vlucht nam. Het gencentrisme vormde ook een belangrijke inspiratiebron voor het Humane Genome Project (1990-2003). Het is kaart brengen van alle genen zou niet alleen in staat stellen ziekten te kunnen voorspellen en genezen, maar het zou niet minder betekenen dan de ontcijfering van ‘het boek van het leven’.

Biologie voorbij de genen

Hoewel de snelheid waarmee het menselijk genoom door de samenwerking van wereldwijd opererende genetici zonder meer indrukwekkend is, was het resultaat toch in zekere zin teleurstellend. Dat het menselijk genoom geen 100.000 genen bevatte (zoals op basis van het aantal verschillende eiwitten was voorspeld) maar niet veel meer dan 20.000, betekende niet alleen een krenking van het narcisme van de menselijke soort (er zijn eencelligen die drie keer zoveel genen hebben als de mens!), maar het betekende ook het einde van het one gene, one function paradigma. De meeste genen werken, vaak met honderden of zelfs duizenden, samen in complexe netwerken. Het aantal mogelijke combinaties is zo hyperastronomisch groot (vele malen groter dan het aantal elementaire deeltjes in het universum), dat het besef postvatte dat het Human Genome Project niet zozeer het einde als wel een uiterst bescheiden begin van het genetisch onderzoek markeerde.

Wat ook al snel duidelijk werd was dat genen niet vanzelf tot expressie komen. Ze kunnen aan en uit worden gezet. Daarbij speelt de 98,5% van het dna dat niet uit genen bestaat, en dat eerder was afgedaan als evolutionair afval (junk dna), een cruciale rol. In het ‘postgenomische’ onderzoek bleken ook andere aannames van het neodarwinisme onhoudbaar. Mutaties blijken veel minder toevallig te zijn dan eerder aangenomen. Zowel de snelheid, de hoeveelheid als de locatie laat sterke fluctuaties zien. Zulke vormen van natuurlijke genetic engeneering doen zich bijvoorbeeld voor in het immuunsysteem, dat zich daardoor snel kan aanpassen aan de voortdurende mutaties van virussen die het organisme bedreigen.  Ook blijkt genetische verandering vaak helemaal niet gradueel te verlopen. Zo ontdekte Barbara McClintock al in 1951 dat grote stukken dna, die vaak meerdere genen omvatten, van de ene naar de andere locatie op het genoom worden getransponeerd. Voor de ontdekking van deze jumping genes, die onder invloed van het neodarwinistische paradigma lange tijd werd veronachtzaamd, werd haar in 1983 de Nobelprijs toegekend. Deze ontdekkingen vestigden de aandacht weer op de door Lamarck opgemerkte zelforganisatie van het organisme.

Zo mogelijk nog spectaculairder was de rehabilitatie van Lamarcks idee van de overerving van aangeleerde eigenschappen in de epigenetica (de tak van de genetica die de invloed van processen buiten de celkern op de erfelijkheid bestudeert). Erfelijkheid blijkt zich niet te beperken tot het dna, maar ook stoffen buiten de celkern en gedrag blijken overerfbaar te kunnen zijn. Zo toonde de Chinese onderzoeksgroep van Sun in Wuhan aan dat wanneer het dna van een karper in de bevruchte maar van dna ontdane eicel van een goudvis wordt geplaatst, het resultaat een hybride is, die zowel eigenschappen van de karper als de goudvis heeft. En de onderzoeksgroep van Feig liet zien dat muizen die gedurende hun adolescentie in een stimulusrijkere omgeving opgroeiden dan een controlegroep, niet alleen zelf beter presenteerden in geheugenopdrachten (wat niet verwondert), maar dat dit leereffect ook de daaropvolgende generaties aanhield, ook wanneer die generaties niet in een stimulusrijke omgeving opgroeiden. Experimenten met de kleine worm C-elegans lieten zien dat dergelijke lamarckiaanse leereffecten wel 100 generaties kunnen standhouden.

Wat deze experimenten ons leren is dat het hele onderscheid tussen nature en nurture problematisch is. Het is niet zozeer een kwestie van ‘allebei een beetje’, maar de genoemde experimenten laten zien dat de aangeleerde eigenschappen (zoals Lamarck vermoedde) zelf kunnen worden overgeërfd. Dat zouden de politieke partijen bij het opstellen van hun programma’s voor de volgende verkiezingen in de oren moeten knopen: het suggereert immers dat investeringen in het onderwijs niet alleen goed zijn voor de huidige generatie, maar ook ten goede komen aan de komende generaties.

De muziek van het leven

Wat genoemde ontwikkelingen leren, zo stelt Denis Noble in The Music of Life. Biology Beyond the Gene, is dat het gencentrische beeld dat Dawkins met zijn metafoor van de zelfzuchtige genen van erfelijkheid en evolutie schetst, op zijn best eenzijdig is. Noble brengt daartegen de metafoor van ‘de muziek van het leven’ in stelling. Net zo min als je muziek kunt reduceren tot de noten op papier, kun je het leven reduceren tot de code van het dna. Dat zou net zo onzinnig zijn als stellen dat een symfonie van Beethoven wordt veroorzaakt door de partituur. Muziek is slechts mogelijk door een samenspel van componist, de partituur, de musici, hun instrumenten en de dirigent. Op vergelijkbare wijze het leven slechts mogelijk door een samenspel van genen, eiwitten, weefsels, organen en de omgeving. Nu zijn metaforen niet louter ornamentaal. Ze richten de aandacht op specifieke aspecten van de werkelijkheid en ze sturen het onderzoek. Ze bovendien retorische munitie. De muziekmetafoor stelt Noble niet alleen in staat de samenhang van de genoemde levenselementen uit te leggen, maar ook om te laten zien waarom Dawkins’ reductionistisch determinisme te kort schiet.

Het hele idee dat de genen het recept of het programma van het leven bevatten, is volgens Noble absurd. dna kan niets op zichzelf doen. We dienen het eerder dan als een recept of programma te begrijpen als een database die door de weefsels en organen wordt gebruikt om de eiwitten aan te maken die ze nodig hebben. Wij zijn niet zozeer de tijdelijke voertuigen van de genen, de genen zijn veeleer de dwangarbeiders van het organisme. Daarbij zet Noble tegen Dawkins reductionisme het begrip ‘neerwaartse veroorzaking’ in.  Waar bij Dawkins de pijl van de causaliteit slechts één richting uitwijst (van genen via eiwitten, cellen, weefsels en organen naar het organisme als geheel), daar richt Nobles metafoor de aandacht op de vele feedbackmechanismen in het organisme, die van bovenaf de lagere niveaus van organisatie aansturen. De dirigent van de muziek van het leven is daarbij overigens niet een specifiek instantie binnen het organisme (zoals de dirigent van het symfonieorkest dat is), maar veeleer het netwerk als geheel. In dat opzicht lijkt een organisme meer op een groep jazzmusici die ook zonder dirigent welluidende muziek voortbrengt.

Bij zijn bespreking van de componist waakt Noble ervoor niet in creationistisch vaarwater te belanden. De rol van de componist is niet weggelegd voor een schepper die buiten of boven de natuur staat, maar is het proces van evolutie zelf, waarbij geldt dat de evolutie ‘nog blinder is dan Beethoven doof was’. De metafoor van de muziek van het leven stelt Noble evenwel in staat een alternatief te bieden voor de deterministische implicaties van The Selfish Gene. Als individu zijn we geen louter speelbal van de processen die zich diep in onze cellen afspelen. Dankzij het mechanisme van neerwaartse veroorzaking kunnen we ons leven als handelingsbekwame individuen leiden. Ook hier geldt dat er geen allesbepalende dirigent is (het autonome, zelfbewuste subject waarvan moderne filosofen als Descartes en Kant droomden), maar dat we afhankelijk zijn van het samenspel van alle elementen van het netwerk. Met kapotte instrumenten of organen klinkt de muziek van het leven vals of valt zij zelfs stil. Maar voor het zover is kent het leven gelukkig ook momenten waarop het ‘uit de pan swingt’ en ons met levenslust vervult.

Nobles The Music of Life biedt zo een krachtig antidotum tegen Dawkins nihilisme. Weliswaar schrijft Dawkins op de laatste bladzijde van The Selfish Gene dat de mens als enige wezen in opstand kan komen tegen de zelfzuchtige genen, maar hoe dat mogelijk zou zijn in het licht van het reductionistisch determinisme dat de voorafgaande tweehonderd pagina’s van zijn boek doordesemt, blijft volkomen onopgehelderd.

Die geruststellende bezwering heeft Dawkins’ lezers in ieder geval niet bereikt. Ik moest daaraan denken toen ik, ten tijde van het schrijven van het nawoord voor de vertaling van Nobles boek, het interview las dat Joost Zwagerman vier dagen voor zijn zelfgekozen dood aan een journalist van HP De Tijd had gegeven. In dat interview gaat hij uitgebreid in op het thema zelfmoord. Met verwijzing van een uitspraak van Nietzsche vertelt hij dat de gedachte aan zelfmoord hem lange tijd troost had geboden op kwade momenten in zijn leven. Maar dat troostrijke karakter verdween toen zijn vader een poging ondernam zich van het leven te beroven. Vanaf dat moment  stond zijn leven in het teken van de vrees dat hijzelf en zijn kinderen en toekomstige klein- en achterkleinkinderen genetisch voorbestemd zouden zijn om zelfmoord te plegen. Natuurlijk wil ik niet beweren dat het neodarwinistische mensbeeld Zwagerman tot zelfmoord heeft gedreven. Het mislukken van zijn huwelijk, het feit dat bij hem de ongeneeslijke en veel ongemak en pijn veroorzakende ziekte van Bechterew was gediagnosticeerd en zijn terugkerende depressies zullen ongetwijfeld ook een belangrijke rol hebben gespeeld. Ook hier geldt dat het in het leven altijd om een samenspel van elementen gaat. Maar dat de genetische predestinatieleer die door boeken als The Selfish Gene  wordt verspreid daarin een rol in heeft gespeeld, lijkt mij zeer waarschijnlijk.

Voor wie het leven lief heeft, biedt de aubade aan het leven die Noble de lezer in De muziek van het leven ten gehore brengt, in ieder geval heel wat meer houvast.

 

 

 

 

maandag, 18 april 2016 08:56

The modular body

The Modular Body is an online science fiction story about the creation of OSCAR, a living organism built from human cells. The protagonist is Cornelis Vlasman, a versatile biologist for whom the path well-travelled is the most uninteresting one by definition. Together with a few like-minded people he therefore starts an independent laboratory in which he experiments with organic materials, on his own initiative, with his own resources and his own team.

After many years of hard work, Vlasman’s team succeeds in creating new life from cells taken from his own body. Under his supervision the world’s first living organism is built: OSCAR.

OSCAR is a prototype (the size of a human hand) consisting of clickable organ modules grown from human cells.

What makes OSCAR special is the thought process preceding the organism, which comes down to this: (human) life can be regarded as a closed system but when it is approached as a modular system this may lead to innovative applications and solutions.

In a closed system the parts are designed in such a way that they can only function in one specific configuration, which makes repairs and adaptations very complex. An example of such a closed system is the first Apple Macintosh from 1988.

In a modular system, independent modules – similar to building blocks – make up a transformable and therefore flexible configuration. In 2013, Dave Hakkens produced a Modular Phone that consists of separate parts that can be individually replaced and improved.

With the organism OSCAR Vlasman demonstrates that it is possible to create modular life. Stem cells can be reprogrammed, grown and printed as any type of human tissue. The line separating humans from machines is gradually becoming thinner.

The OSCAR prototype opens up possibilities for the human body, for example when it comes to replacing or improving worn out organs in a possibly ‘clickable’ system. Think of Lego as a metaphor.

In biotechnology many experiments are conducted nowadays with printed organs, regenerated tissue and synthetic blood. Organovo, one of the world’s largest biotech companies, expects to be able to print a functional liver by 2014. Taking the entire human body as a possibly modular system is not (or not yet) possible.

Vlasman develops the OSCAR organism – made up from ‘blocks’ – in his lab. This independent and somewhat obscure laboratory is run by a group of people with various expertise: IT specialists, biologists and designers, working with handmade and sometimes second-hand equipment. They operate outside of official channels, thereby avoiding moratoria, scientific protocols or objections of ethical committees, which perhaps enables them to arrive at this seminal breakthrough.

The primitive, vulnerable organism that finally results from Vlasman’s endeavours is kept alive with blood taken from Vlasman and is continually vaccinated against infections, as it has no immune system. The story refers to various similar narratives in world literature and film history, notably Mary Shelley’s Frankenstein.

Gepubliceerd in: Art
Jos de Mul. Noble versus Dawkins. DNA Is not the program of the concert of life. Translation of Dutch review, published in the weekly Vrij Nederland

Forty years ago Richard Dawkins’ book The Selfish Gene launched Neo-Darwinism to the general public. It is still as controversial as it was then. Philosopher Jos de Mul examines the case of Dawkins' biggest critic: Denis Noble.

Text: Jos de Mul

Illustration: Siegfried Woldhek

It is forty years since the publication of Richard Dawkins' book The Selfish Gene, published in Dutch as De zelfzuchtige genen. Over evolutie, agressie en eigenbelang. This text of 'orthodox neo-Darwinism’ (Dawkins' own words) sold 1 million copies in more than 25 languages. Probably since Darwin's On the Origin of Species (1859) no other biology book has had such a huge influence both on general public understanding of what it is to be human, and on scientific research, not only in the life sciences, but also in the social sciences and humanities. It is a particularly radical book which with its brilliantly worded message - that organisms are not much more than temporary vehicles for their immortal genes – expresses a reductionist, dramatically deterministic and ultimately nihilistic image of humanity.

Gepubliceerd in: Online publications
Jos de Mul, Michel Houellebecq’s tragic humanism. Invited lecture in the series Personhood, Law & Literature III organized by the Human Philosophy Project (Warsaw University & Oxford University). Institute of Philosophy, University of Warsaw. Room 4, roundfloor. April 7, 2016, 5-8 PM.

Various authors, including Friedrich Nietzsche and George Steiner, have argued that the tragic worldview, as we find it expressed in Greek tragedy, has become an entirely incomprehensible phenomenon for (post)modern man. The claim defended in this article radically opposes this view. It is argued that tragedy can still teach us something today, and maybe even more so now than in the many intervening centuries that separate us from her days of glory in the fifth century bce. The tragic reveals itself once more in (post)modern society, and nowhere more clearly than in technology, the domain in which we believed the tragic had been domesticated or even eliminated. Referring to the tragic humanism in Michel Houellebecq’s novels The Elementary Particles and The Possibility of an Island it is argued that it is precisely in (post)modern (bio)technologies that we experience the rebirth of the tragic.

Gepubliceerd in: Lectures

Department of Philosophy of Culture of the Institute of Philosophy, University of Warsaw together with The Humane Philosophy Project
invite for lectures and seminars by

Professor Jos de Mul

(Erasmus University Rotterdam)


who will be the guest of our Institute in the first week of April.

The plan of his visit is as follows:
Tuesday (5th of April) 
1:15 – 3pm (Institute of Philosophy, room 4, ground floor)
open guest lecture Europe, the tragic continent
6:30 – 8pm (Institute of Philosophy, room 108, I floor)
guest lecture on the seminar Imagination and Identity (conducted by dr P. Bursztyka).
The lecture will be entitled: Playful Identities. From narrative to ludic identity formation

Thursday (7th of April)
5 – 8pm (Institute of Philosophy, room 108, I floor)
Seminar: The tragic humanism of Michel Houellebecq.
This seminar is a part of the seminar series: Personhood, Law & Literature. Humane Philosophy and the Idea of the Tragicorganized by The Humane Philosophy Project.
Contact: dr Przemysław Bursztyka (Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.)

Jos de Mul is a Professor of Philosophical Anthropology at the Erasmus University of Rotterdam. Among his research interests are metaphysics, philosophy of culture, philosophy of science and epistemology. His publications include: Romantic Desire in (POst)Modern Art and Philosophy (State University of New York Press, 1999) The Tragedy of Finitude. Dilthey’s Hermeneutics of Life, (New Haven: Yale University Press 2004);Cyberspace Odyssey: Towards a Virtual Ontology and Anthropology (Cambridge Scholars Publishing in 2010);Destiny Domesticated. The Rebirth of Tragedy out of the Spirit of Technology (State University of New York (State University of New York Press,  2014).

Gepubliceerd in: News
Jos de Mul. Possible printings. On 3D printing, database ontology and open (meta)design. In: B. van den Berg, S. van der Hof & E. Kosta (eds.) 3D Printing: Legal, Philosophical and Economic Dimensions - Information Technology and Law Series. The Hague: T.M.C. Asser Press, 2016, 87-98.

3D printing can be approached from a number of different disciplinary angels, as it has possible implications for a great variety of human practices, ranging from the organization of economic production to the domain of legal and regulatory issues. In my talk I will focus on 3D printing from yet another angle: design, more particularly the perspective of open design. In Fabricated: The New World of 3D Printing, Lipson and Kurman claim no less than that 3D will  cause “a revolution in the way we make and design things, because of the close connection between the software design of an object […] and its physical manifestation”.[2] Although we should be somewhat skeptical when the word “revolution” in the often hyperbolic discourse on information and communication technologies, it is obvious that 3D printing has the potential to bring about important changes in many domains, including the  world of design. Especially because of its open character, 3D printing challenges traditional design practices. In this chapter, I will investigate some of the implications of the database ontology, which characterizes the open design of 3D printing.

In the announcement of the 2010 Amsterdam conference Redesigning Design, which was organized by Creative Commons Netherlands, Premsela, Dutch Platform for Design and Fashion, and Waag Society, and which resulted in the book Open Design Now. Why design cannot remain exclusive[3]  the present situation in the world of design was described as follows:  “The design industry is going through fundamental changes. Open design, downloadable design and distributed design democratize the design industry, and imply that anyone can be a designer or a producer”. The subtext of this message seems to be that open design - for reasons of brevity I will use this term as an umbrella for the aforementioned developments, thus including downloadable, distributed design and the possibility to  recombine modules to personalized designs and to 3D print them at home or in a specialized shop around the corner– is something intrinsically good, something we should promote. Though my general attitude towards open design is a positive one, I think we should keep an open eye for the obstacles and pitfalls, in order to avoid that we will throw out the designer baby along with the bath water.

This chapter consists of three sections. First I will present a short sketch of open design. As this concept has quite some different connotations and, for that reason, is prone to conceptual confusion, it might be useful to illuminate this tag cloud of connotations. In this first part, I will also summarize some of the objections that can be (and has been) directed against open design.

Gepubliceerd in: Book chapters
Renë Moerland. Wordt de vrije wil een illusie? Interview met Jos de Mul, Hans Schnitzler, en Peter-Paul Verbeek. NRC Handelsblad, 19 december 2015, p. 


Politici gaan stilzwijgend nog steeds uit van de mens die zichzelf kan ontplooien. Technologie ondermijnt dat idee en verandert ons leven radicaal. Politici zien dat te weinig.

llustratie Tomas Schats

Dit verhaal begint aan de rand van een zwembad op vakantie. Een beetje vrij denken, fantaseren. Niet op de e-reader. Ik tel geen pagina’s, streep niets aan, ben niet efficiënt. Als ik vanaf een steile helling zee zie, als mijn Belgisch-Burundese gastvrouw kip colombo maakt, terwijl haar terras wind en schaduw biedt: dan besta ik. Even weg van de apparaten, ver van mijn technotoop.

Ik las over Den Haag. Over de moeizame relatie tussen politici en journalisten, het compromissenspel, de gepijnigde polder. En over wat politici willen. Nog altijd: het goede voor de mens. Vrijheid en veiligheid, en soms hulp voor mensen die het moeilijk hebben. Het verlichtingsstreven naar ontplooiing van de mens in de samenleving was kennelijk springlevend. Onze politici: prima humanisten!

Sfeerverstoorder in mijn vakantiestapeltje was een keurig conservatieve Duitse journalist. Frank Schirrmacher, tot zijn dood in 2014 uitgever bij de Frankfurter Allgemeine, schreef zijn pamflet Ego. Das Spiel des Lebens in 2013. Hij dacht dat ons vertrouwde ‘ik’ was opgelost in een „monstereconomie” die via algoritmes en machines uitrekent wat goed voor ons is – en zo „aan de lopende band egoïsme produceert”. Bedenk maar eens wie je bent als er beslissingen over je genomen moeten worden bij paspoortcontrole, in je carrière of over je kredietwaardigheid: je bestaat louter uit nuttige data die alles over je zeggen – en die vermarkt kunnen worden. „De Egoïsme-machines spelen het grote spel allang zonder mensen”, schreef Schirrmacher. „De verliezers staan van tevoren vast: wij allemaal.”

Terwijl we lagen te zonnen, helemaal uit vrije wil, klaar voor een duik in het zwembad, werden we afgeschaft!

Verlichting

Het afgelopen jaar zette NRC een aantal ‘Grote Vragen’ op een rij waarop politici een antwoord moeten vinden om de komende jaren ‘goede politiek’ te bedrijven. Schirrmachers prikkelende pamflet raakt aan zo’n vraag. Is het karakter van de mens als wezen met een vrije wil houdbaar, nu een technologische revolutie bezig is de grenzen en regels van ons bestaan ingrijpend te veranderen? En wat moeten politici daarmee doen?

Geen politicus zal weliswaar ons einde als soort wensen, laat staan nastreven. Maar biedt dat voldoende garantie om meester te blijven over ons bestaan?

De meeste partijen gaan in naam nog altijd uit van een mensbeeld dat terugvoert op de Verlichting: de autonome, zich ontplooiende mens. Maar in de praktijk gaan de meeste politieke debatten niet over mensen, maar over beleid, en de vraag of dat efficiënt, modern, duurzaam, gemakkelijk, waterdicht, fraudebestendig en kostenefficiënt is. De onberekenbare mens is in het politieke debat juist eerder een stoorzender dan een bestemming: hij wordt begeerd als kiezer, maar is ook een gevaar dat in toom gehouden moet worden (fraudeurs, criminelen, radicaliserende jongeren, schoolverlaters). En als we niet crimineel zijn of kunnen worden, moeten we wel door slimme sturing (nudging) tot goed gedrag worden bewogen: een gezonde leefstijl, verstandig financieel plannen, energiezuinig leven en nuttig bijdragen aan de economie.

Technologie houdt een belofte in om die doelen beter, sneller, efficiënter te bereiken, gedrag te voorspellen en te sturen. Banken, verzekeraars, gemeenten, energiebedrijven zijn ons aan het ‘dataficeren’. En wij werken mee: het is nieuw, makkelijk, fascinerend, en misschien sparen we er kosten en energie mee, en reistijd, en onze gezondheid.

Wat vermag en moet de politiek in dat nieuwe krachtenveld? Die vraag leg ik voor aan drie Nederlandse filosofen met uiteenlopende ideeën over technologie. De een staat bekend als een alarmist, de ander als pragmaticus die mens en techniek wil vermengen, en de derde denkt moeiteloos voorbij de menselijke soort. Ze schilderen vooral informatietechnologie als de sluipmoordenaar van het traditionele idee van politiek. Maar de politici zien zelf niet hoe informatietechnologie onze manier van leven verandert. En evenmin hoe zij er zelf aan meewerken.

Gepubliceerd in: Interviews / written press
Bruno Accarino, Jos de Mul und Hans-Peter Krüger (Hrsg.). Internationales Jahrbuch für Philosophische Anthropologie. Band 5 / International Yearbook for Philosophical Anthropology. Volume 5. O. Mitcherlich-Schönherrr & M. Schloßberger, (Hrsg.). Die Unergründlichkeit der menschlichen Natur. Berlin: De Gruyter, 2015, 294 p.

Die Unergründlichkeit der menschlichen Natur ist ein Gemeinplatz der Philosophie: Irgendetwas an der Natur des Menschen entzieht sich beharrlich jedem philosophischen Zugriff: homo absconditus. Das Motiv findet sich in vielen philosophischen Traditionen, aber erst die recht gestellte Frage nach dem Wesen des Menschen ermöglicht ein volles Verständnis der Rede vom homo absconditus. Der Band versammelt Beiträge aus unterschiedlichen Traditionen und Schulen und bringt so die verschiedenen Zugriffe auf die Unergründlichkeit der menschlichen Natur ins Gespräch.

 

Gepubliceerd in: Books
Bruno Accarino, Jos de Mul and Hans-Peter Krüger (Hrsg.). Internationales Jahrbuch für Philosophische Anthropologie. Band 4 / International Yearbook for Philosophical Anthropology. Volume 4. O. Mitcherlich-Schönherrr & M. Schloßberger, (Hrsg.). Das Glück des Glücks. Berlin: De Gruyter, 2013/2014, 364 p.

Das Jahrbuch für Philosophische Anthropologie reflektiert interdisziplinäre Grenz­übergänge zwischen den empirischen Disziplinen und ihren jeweiligen Anthropologien. Der diesjährige Band, »Das Glück des Glücks« fragt nach dem Verhältnis der subjektiven und der objektiven Dimensionen des Glücks. Dieses Verhältnis wird für die Themen »Glück haben«, »Glücklich sein«, »Das Glück suchen« und »Das Glück verfehlen« ausgelotet.

Gepubliceerd in: Books
Jos de Mul. Database Identity: between construction and control. Invited lecture at the 1st Thinkers’ Summit of Translingual Communication on Life: Data, Symbol and Wisdom. Beijing: Department of Journalism and Communication. Beijing University, January 10-11, 2016.
Gepubliceerd in: Lectures
Pagina 5 van 13